
Lies Prinse krijgt reuma al onder de knie
Bezoek aan de genezeres van Standdaarbuiten
Betty van Garrel
Het huis van de genezeres zie je vanaf de dijk beneden in het weiland liggen. Een wit stulpje, vastgebouwd aan een veel grotere geteerde boerenschuur. In alle nederigheid bij alle uitstek geschikt voor wonderen, schijnt het. Het is al avond als we er, volgens afspraak, arriveren.
De ontvangst is opmerkelijk. Een knokige man op sokken, wiens gezicht grotendeels schuilgaat onder een pet, opent de voordeur en mompelt: ‘Kom d’r moar in.’ Vervolgens gaat hij met opgetrokken benen op een stoel zitten en laat het bezoek in de huiskamer staan.
Ongelukkigen
Aan tafel zitten een zeer schriele man en een uiterst voluptueus, zo niet animaal uitziend vrouwspersoon, die beiden de ballpoint voeren. ‘Ik ben Betske van Aert,’ zegt de vrouw, die een wit verpleegstersshort draagt, ‘vroeger liep ik op krukken, en dit is mijn man Johannes van Aert, hij is invalide. Wij maken de afspraken voor mevrouw Prinse en we beantwoorden de brieven. We hebben al 12.000 brieven beantwoord, ik bedoel 1200.’
We zitten hier iedere dag en wij huilen hier dikwijls, Wat een ongelukkigen dat je hier ziet binnenkomen. En ieder drie minuten geneest ze, mevrouw Prinse, d’r een. Niet allemaal natuurlijk, maar toch heel veel. Je ziet ze hier juichend vertrekken, zwaaiend met hun krukken. Overgelukkig zijn ze.’
Betske, over wie in het dorp wordt gezegd dat ze vroeger wel af en toe haar krukken wegzette om te gaan dansen, babbelt verder. ‘Ik ben de eerste vrouw die mevrouw Prinse heeft genezen. Zij kwam langs mijn raam in Zevenbergen en zag mij liggen. Toen ging ze naar huis en ze was zo onrustig, ze kon niet meer eten, niet meer drinken en niet meer slapen, toen ging ze in haar auto zitten en het was net of ze naar mij toe werd gedreven’
Molières
‘Ik ben door mijn wervelkolom gezakt en ik kon niet meer lopen, alleen nog op krukken. Zij ging naar mij toe en zei: ik kan oe helpen. Ik begon te lachen. Zij vroeg of ik kon staan. Ik zei nee. Ze zei: oe kan lopen, en ik kon lopen. Nooit hoef ik meer op krukken te gaan. Mijn man heeft ‘t aan zijn maog, dat heeft ze ook weggenomen…’
Een potige vrouw in doktersjas vult nu het vertrek. Zij heeft een iets vooruitstekende kaak en een zeer argwanende blik. Ze kijkt ons uiterst nadrukkelijk aan: ‘Mevrouw Prinse,’ zegt ze en ze begint door de kamer te ijsberen, waarbij zij naar haar eigen voeten kijkt, in crèmekleurige molières gestoken.
Het lijkt ons het beste haar voorlopig maar met rust te laten. Eén verkeerde zinsnede en we vliegen eruit, lijkt het. Want de genezeres heeft meer weg van een engel der wrake dan van een liefdeszuster. We knopen een gesprek aan met de man die ons binnen heeft gelaten, de echtgenoot van mevrouw Prinse. Maar helaas is de landbouwer nauwelijks te verstaan. Wel vangen we af en toe een knarsend uitgesproken ‘huh’ op.
Er wordt weer gescheld aan de voordeur. Er komt nu een vrouwtje binnen met haar zoon, een blozende, uiterst verlegen jongen. ‘Ik heb een taart gebakken voor mevrouw Prinse,’ zegt ze, ‘ik dacht: als ik iets terug kan doen moet ik het niet laten. Mijn zoon moest geopereerd worden. Ik heb aan mevrouw Prinse gevraagd: zal ik het doen? Als het mijn zoon was, zei ze, dan zou ik het niet doen. Ze het hem genezen, het gaat nou goed met hem en hij is niet geopereerd. We zijn mevrouw Prinse zo dankbaar.’ De jongen wordt nog roder en zwijgt.
Mevrouw Prinse heeft een pakje Hunter uit de zak van haar doktersjas gepakt en begint opeens te spreken: ‘Voor ik dit werk deed, mankeerde ik iedere keer wat anders. Ik wist niet waar ik het zoeken moest, nietwaar Piet?’
STOMME DOKTERS
De landbouwer, de tweede man van Lies Prinse-Corte (50) knarst: ‘Ze hield het niet uit.’ Lies Prinse gaat wijdbeens staan, steek haar kin naar voren en zegt: ‘Als kind al, als ik in ziekenhuizen kwam, dan voelde ik het: ik ken genezen. En toen in mei, toen ik langs het huis kwam van Betske, kon ik me er niet neer van losmaken. Ik zat hier thuis en ik moest weer naar d’r toe. God heeft het me al gezegd toen ik achttien jaar was, maar toen heb ik het niet begrepen.’
Ze verheft haar stem nu zodanig dat het op schreeuwen gaat lijken en zegt: ‘Maar de dokters, niet één heb ik er hier gehad. De dokters die zijn zo stom, ik kan ze vertellen hoe het moet, ik kan ze het leren, maar ze komen niet.’
Hoe geneest ze dan?
‘Dat vertel ik niet. Er is hier zo’n brok parapsycholoog geweest, die wou het kunstje afkijken. Ik heb hem eruit gezet, pottenkijkers heb ik niet nodig.’
Je kunt het beter niet aan de stok krijgen met de genezeres, dunkt me. ‘Dat heb je goed gezien, kind,’ zegt ze. ‘Dat heb je heel goed gezien.’ Betske van Aert begint te grijnzen en vervolgens uitbundig te lachen. Haar weelderige lichaam schudt tot in de taps toelopende korte benen. Haar Jan zegt: ‘Mevrouw Prinse is keihard, keihard maar goed.’ Piet kijkt naar zijn sokken en knikt instemmend.
De genezeres roept nu luid: ‘Koffie! Betske schommelt weg. ‘Niet van de taart likken,’ zegt mevrouw Prinse, ‘pas d’r op.’ ‘Haal eens een glas water voor me, Piet.’ Piet verdwijnt eveneens naar de keuken.
Mevrouw Prinse komt nu vertrouwelijk naast me zitten en probeert te ontcijferen wat ik opschrijf. ‘Ik heb een hekel aan het huishouden,’ vertelt ze. ‘Sinds zes weken zijn zij bij me in huis. Overdag dan. Bets kookt en geeft ook mijn zoon te eten. Dat is goed geregeld zo. Ik eet dan tussendoor, goed en vet, daar geloof ik in.’
KWAKZALVERS
Er arriveert nu een echtpaar van een jaar of dertig uit Den Haag. Het wordt op dezelfde wijze ontvangen als HP. Mevrouw Prinse laat ze een poosje in de kamer zitten en gaat rustig door met haar verhaal. Het echtpaar kijkt intussen maar naar de televisie, waar de Dief van Washington zichtbaar is. Na een tijdje staat de genezeres op en neemt nu de vrouw mee naar een ander vertrek, blijft een kleine drie minuten weg en keert dan weer in de huiskamer terug: ‘Die vrouw heeft twee jaar bij Croiset gelopen. Ik heb haar even genezen. Nou, hoe lang heeft dat geduurd, Bets?’
Een minuut of drie, schat Betske. ‘Ik geloof d’r in geen één, zegt de genezeres en ze steekt weer een Hunter op. ‘Het zijn allemaal kwakzalvers.’
Kan zij alle ziekten genezen?’
Ik begin reuma onder de knie te krijgen. Hoofdpijnen, zenuwpijnen. Ziekten die ik wegneem, omdat ik ze zelf heb geleden.’
Wat doet ze aan de ziekten? Handoplegging, massage?
‘Dat gaat niemand wat aan.’
TAART
Heeft ze een grote mensenkennis?
‘Ja, altijd gehad. Ik zie meteen of ze eerlijk zijn. Laatst was er hier iemand, die zei dat-ie zo’n pijn in zijn arm had. Ik zei: zo, heb jij zo’n pijn in je arm? Kom dat maar eens hier. Nou, die heeft het geweten. Bets, kom eens op met de taart.’ Bets neemt een van haar gezwollen benen van een zitbankje en komt terug met schoteltjes taart. ‘Ik moet geen taart,’ zegt de echtgenoot van Bets, ‘ik heb weer het zuur.’ ‘Geef het dan maar aan mevrouw Prinse,’ zegt Betske. Mevrouw Prinse, die haar stuk al heeft weggewerkt, houdt hem haar lege schoteltje voor en zegt: ‘Lik jij dit maar af, Jan.’
‘Dat doe ik niet’, zegt hij. De genezeres lacht hartelijk. Betske, Jan, Piet, de boerenvrouw met haar verlegen zoon, en het achtjarig zoontje van mevrouw Prinse lachen in koor. ‘Die mevrouw Prinse toch, dat is me er eentje,’ zegt Betske. ‘Goed, maar keihard.’
De gebedsgenezeres verandert nu weer van toon en roept door de huiskamer met nieuwe vloerbedekking en snuisterijen als tafelaanstekers, koperen kannen en een kamerscherm met een geborduurd heilig hart: ‘En tegen de rechter zal ik zeggen, als hij mij dit verbiedt, dan wens ik hem alle ziekten en pijnen van al die zielige, arme mensen die ik hier genees. Uit de hoogste kringen krijg ik ze hier, en uit de laagste. Gisteren heb ik nog iemand uit een woonwagenkamp genezen. Wat kan mij dat schelen? Voor mij zijn alle zieke mensen gelijk.’
NIEUWE DAF
Hoeveel berekent ze voor een genezing?
‘Ik vraag niks, ik laat het aan de beleefdheid van de mensen over.’ Piet grinnikt: ‘Maar je zou natuurlijk wel gek zijn om niks aan te pakken als ze het geven.’ ‘Ik wel een kliniek hebben o de lijdende mensheid te genezen, ‘ zegt de genezeres. ‘Ze zitten nu allemaal in de huiskamer overdag. Die mensen hebben van alles, ze zitten maar op je stoelen. Da’s niet hygiënisch.’
[...]
Zie verder: Betty van Garrel, ‘Lies Prinse krijgt reuma al onder de knie’, Haagse Post, 11 november 1970.
Uit: Een vreselijk land. De mooiste journalistieke verhalen van Nederland. Bijeengebracht door Joris van Casteren. 2005, Prometheus, Amsterdam. Op dit moment 14 januari 2009, bij de Bijenkorf voor € 6,90 in plaats van € 20,95.