
Het gebeurt zelden. De koeien dansen op het ijs; Pasen en Pinksteren vallen op één dag; Fijenoort haalt binnen tien jaar tweemaal de dubbel; wat J.C. zegt is iedereen duidelijk; de uitslag van de Tweede Kamer verkiezingen wordt door alle fractieleiders, die maar een fractie lijden van wat wij allemaal te lijden hebben (W. Kan), hetzelfde geïnterpreteerd. En: al de geleerden zijn het er over eens dat een html-pagina gegenereerd door een grafische editor, de zo genaamde WYSIWYG-editors, broddelwerk is en het nooit zal halen bij een pagina die met een tekstverwerker of een ‘gewone’ editor is opgesteld.
Een beetje vreemd is dat wel. Ten eerste hebben de wyziwyg-programma’s sedert de eerste verschijning van Ceneca Communications’ PageMill in 1995 een ware metamorphose ondergaan.
Maar wat het ertsenrijk Amathus aangaat–als je vraagt of dat de even trotse wieg was van Propoetis’ dochters, welnee! Zomin als het nog spreekt van de Cerasten met hun woestgehoornde koppen, waar zij ook hun naam aan dankten.
Zij hadden voor hun poort een altaar staan van Jupiter, de god van de gastvriendschap; en als gast, geen kwaad vermoedend, dat daar zag staan, rood van het bloed, dacht hij natuurlijk aan offers van kalveren of schapen van Amathus’ bodem, maar nee, het was het bloed van de gasten zelf! Uit afkeer van zulke barbaarse riten wilde zelfs de zoete Venus de stad en Cyprus’ land verlaten, maar: “Wat heeft mijn stad, wat heeft dit goede land misdaan?” bedacht ze, “Zijn zij schuldig? Laat die barbaren zelf maar boeten met de dood of met verbanning, of met iets wat tussen doodstraf en verbanning in ligt, en dat kan één ding zijn: gedaantewisseling.” Zij peinst nog over welke soort gedaante, als haar blik hun horens treft en dan bedenkt ze, dat die kunnen blijven, en vormt hun forse lijven om tot barse jonge stieren.
Toch waagden de onkuise dochters van Propoetis nog met Venus’ goddelijkheid te spotten; maar haar wraak–zo zegt men–maakte van hen de eerste vrouwen die hun lichaamsschoon verkochten. Toen hun schaamte was vergaan en ieder blozen verstard was, zijn zij zonder veel verschil verhard tot steen.
Omdat Pygmalion die vrouwen jarenlang in zonde had zien verkeren en een afkeer voelde van het kwaad dat de natuur zo ruimschoots in de vrouwenziel gelegd heeft, bleef hij steeds vrijgezel en vrouwloos en zijn bed was eenzaam. Maar ondertussen maakt hij wel met schitterend vakmanschap een wit-ivoren beeld, geeft het een schoonheid die geen vrouw van huis uit ooit bezit en wordt verliefd op eigen werkstuk. Het lijkt een echte jonge vrouw, je zou geloven dat zij leeft en, als fatsoen dat toestond, graag bemind wil worden–zozeer gaat kunst in eigen kunde schuil. Pygmalion bewondert haar, hij brandt van hartstocht voor dit namaaklichaam. Steeds voelt hij met zijn vingers aan het beeld, of het ivoor of lichaam is en maakt zich wijs, dat dit toch geen ivoor is… Hij kust haar, proeft haar kussen–denkt hij–, spreekt tot haar en houdt haar in zijn armen, voelt zijn vingers in haar lichaam drukken en is zelfs bang voor blauwe plekken waar hij haar omarmt. Hij vleit haar met verliefde woorden, geeft cadeautjes waar meisjes verzot op zijn: schelpen of stenen, gladgevormd, tamme parkietjes, bloemenkransen met wel duizend kleuren, lelies, geverfde knikkers, barnsteenkralen–tranen van de Heliadenbomen–, daarna tooit hij haar met kleren, doet ringen aan haar vingers, lange snoeren om haar hals, haar oren krijgen lichte parelhangers, ook haar borsten zijn rijk behangen. Alles siert haar, ook al is zij mooi zonder dat al. Hij legt haar op een roodgespreide divan, noemt haar zijn bedvriendin en doet haar zachtjes met haar hals in veren kussens leunen, denkend dat zij dat kan voelen!
Het feest van Venus, overal op Cyprus hoogtijdag, was aangebroken. Jonge koeien met vergulde horens vielen ten offer aan de slagen in hun blanke nek en wierook geurde op. Pygmalion bleef na het offer bij ’t altaar staan en sprak een stille wens: “O goden, als u alles geven kunt, geef mij een vrouw…”–hij had de moed niet “die van ivoor” te zeggen, wel “die lijkt op mijn ivoren…” De gouden Venus, zelf aanwezig bij haar feest, begreep wat deze wens beduidde” driemaal schoot de vlam hoog op en blies een vuurtong in de lucht, ten teken van genade.
Zodra hij thuiskomt, haast hij zich naar zijn geliefde beeld, nestelt zich naast haar, kust haar mond. Zij lijkt erdoor te smelten, hij kust haar weer, raakt met een vingertop haar borsten aan: het aangeraakt ivoor wordt week, de kilte lijkt verdwenen, het voegt zich naar zijn druk, is soepel, zoals bijenwas van de Hymettus zacht wordt door de zon en zich laat drukken tot vele vormen en juist door het kneden kneedbaar wordt. Terwijl hij eerst verbijsterd nog geen vreugde toelaat, bang voor bedrog, streelt hij verliefd steeds weer, steeds meer dat lieve beeld en streelt een vrouw: zijn tasten doet haar bloed veel sneller stromen! Dan spreekt Pygmalion, de held van Paphos, woorden uit waarmee hij Venus dankt, diep uit zijn hart, en drukt zijn lippen op lippen die niet meer onecht zijn en het meisje heeft zijn kus gevoeld, begint te gloeien, slaat haar ogen schuchter naar ‘t daglicht op en kijkt op dat moment haar minnaar aan. Het huwelijk, eerst door Venus voorbereid, ontving haar zegen: negenmaal had de maan haar sikkel tot een schijf gevuld, toen Paphos werd geboren, en het eiland draagt die naam nog.