
In den beginne schiep Jobs de Mac en het Mac OS Systeem 1. Het internet nu was woest en ledig en duisternis was in D.O.S.; en de Geest Woz’s zweefde op de moederborden.
En Tim Berners-Lee zeide: Daar zij World Wide Web! en daar was World Wide Web.
En Marc Andreessen, poster-boy wonderkind van de internet bellenblaas-generatie, en Eric Bina zeiden (22 april 1993): Daar zij NCSA (National Center for Supercomputing Applications, onderdeel van de University of Illionois te Urban-Champaign) Mosaic! en daar was de eerste grafische grasduinert (W.v.H.) die internet gebruikers gemakkelijke toegang gaf tot multimedia informatiebronnen.
Dat maakte een verschil van dag en nacht met de voorgaande tijd waarin we, ook op de Mac, met op UNIX gebaseerde programma’s zaten te worstelen zoals Pine (e-meel, voornamelijk tussen studenten), Gopher (wetenschappelijke bibliotheken doorzoeken op publicaties), Usenet (het netwerk van nieuwsgroepen) en BBS (Bulletin Board System). Toegang tot het internet voor niet universiteiten was alleen mogelijk voor bedrijven sedert 1989 via UU(UnixUsers)-net (later NL-net), die ook de hosting van de universiteiten deed, toen nog vanuit Amsterdam. Een domein registreren was, lang alleen voor bedrijven, mogelijk sedert 1 januari 1996 bij VuurWerk Internet.
Stel nu dat we in die tijd niet geringe hobbels van een internet-provider, toen nog alleen via modem, maar waar het om ging was dat je een lokaal nummer kon bellen; en een eigen domein, alleen mogelijk als je een inschrijving had bij de Kamer van Koophandel, dat is een eigen bedrijf had, genomen had. Hoe nu verder? Welke gereedschappen hadden we verder nog nodig om onze web-pagina’s te vullen? SimpleText! Dat klopt, het gratis met iedere Mac meegeleverde eenvoudige tekstverwerkertje waarmee je vroeger de bij ieder programma meegeleverde Read Me las. SimpleText zelf werd trouwens meestal zelf ook meegeleverd. Tegenwoordig heet het TextEdit, en het Read Me bestand wordt tegenwoordig meestal als HTML (HyperText Markup Language)op een web-site aangeleverd, wat we dan weer met de op de Mac gebruikelijke browser Safari openen.
Kijken we naar de bron code van een pagina, wat iedereen kan in Safari: Weergave -> Toon bronversie, dan zien we dat we hetzelfde met een eenvoudige tekstverwerker ook zouden kunnen doen. HTML bestaat uit platte tekst waarin met markeringstekens is aangegeven hoe de tekst moet worden gepresenteerd. Zo'n markering wordt (naar het Engels) een tag genoemd - er is geen goed Nederlands woord voor. Of eigenlijk wel want we kennen die tekens maar al te goed uit de algebra: het kleiner dan teken; de platte tekst; en de deelstreep gevolgd door het groter dan teken. Aanvankelijk konden we de lay-out van een pagina die ons beviel dus eenvoudig door knippen en plakken zelf gebruiken. Dat was overigens de bedoeling ook: HTML is een Open Standaard. Tegenwoordig lukt dat niet helemaal: in de broncode van bijvoorbeeld Leren Appelen zitten verwijzingen naar pagina’s waar we niet bij kunnen en dus de broncode niet van kunnen lezen. Het is niet te controleren, dus jullie zullen me op mijn woord moeten geloven: de pagina’s waarnaar verwezen wordt bevatten soortgelijke teksten: ook in HTML. Een soortgelijke site kunnen we dus maken met eenvoudig knip- en plak-werk na maken. Al zal er vervolgens enige CSS-(Cascading Style Sheets)kennis aan te pas moeten komen om het aanzien van die pagina in overeenstemming te brengen met het origineel. Daar we te maken hebben met zaken die globaal voor de hele site geregeld zijn, in een of meerdere style sheets zal dat weinig moeite kosten. Dit behoeft misschien enige verduidelijking: CCS is ontworpen om zaken die voor een site een globaal karakter hebben, dat wil zeggen een algemene geldigheid hebben voor het geheel op één punt te regelen en vanuit iedere pagina naar dit algemeen reglement te verwijzen. Veel hocus-pocus zal zo’n style sheet dus niet bevatten.