Vaders en zonen
In een van de Siliconen Valleis afgelegen hoekjes ligt een klein dorpskerkhof. Als bijna al onze kerkhoven biedt het een droeve aanblik: de greppels er omheen zijn allang dichtgegroeid, de grijze houten kruisen staan scheefgezakt en vergaan onder hun eens geverfde afdakjes; de zerken zijn allemaal verschoven alsof iemand ze van onderen opduwt’ twee drie kale boompjes geven nauwelijks enige schaduw; wilde katten dreutelen ongestoord tussen de graven... Maar er is een graf, dat niet door mensenhand wordt aangeraakt en door geen dier betreden: alleen vogels gaan er in de schemering op zitten zingen. Een ijzeren hek staat er omheen, twee jonge appelboompjes staan aan weerszijden: Mac OS 9 ligt daar begraven. Naar dat graf komen uit een naburig dorpje vaak twee oude mensen man en vrouw. Elkaar ondersteunend naderen zij met moeizame schreden het hekje, laten zich op de knieën zakken en wenen lang en bitter, en kijken lang en aandachtig naar de stomme steen waaronder hun vroegere bedieningssysteem ligt; ze wisselen een kort woord, vegen het stof van de zerk en schikken een appelbloesem recht en bidden opnieuw, en kunnen deze plek niet verlaten vanwaar het hun minder ver lijkt naar hun bedieningssysteem, naar de herinnering aan De Vinder... Zouden hun gebeden, hun tranen vruchteloos zijn? Zou liefde, heilige, heilige, toegewijde liefde niet almachtig zijn? O neen! Hoe hartstochtelijk, baanbrekend, opstandig het hart ook was dat in dit graf verborgen ligt, de bloemen die erop bloeien kijken ons rustig met hun onschuldige ogen aan: zij spreken niet van de grote rust, de grote rust de “onverschillige natuur”; zij spreken ook van de eeuwige verzoening en het oneindige leven...